Culibeet
Het is een ernstige kwaal die al generaties lang heerst in de vrouwelijke lijn van
mijn familie.
Hoe lang precies, weet ik niet. Ik herinner het me vanaf mijn oma van
moederskant. Die kon absoluut niet koken. En net als later bij haar dochter en kleindochter, kwam dat vooral omdat ze het niet wilde. Ze vond het zonde van
haar tijd. Er waren zo veel leukere dingen.
Als het ‘s zomers mooi weer was, liet mijn oma de boel de boel, trommelde haar
vier kinderen op, en ging de hele dag met ze naar het bos aan de rand van de stad.
Lekker rondrennen, spelletjes doen, lachen.
Als ze ‘s avonds thuiskwamen, sneed oma een heleboel boterhammen, kwakte wat roomboter en kaas op tafel, en daar moesten haar bloedjes van kinderen het mee
doen. En die vonden dat prima. Ze wisten niet beter, en bovendien hadden ze een
leuke dag gehad, lekker buiten in het bos.
Het is dus geen wonder dat toen mijn moeder trouwde, ze weinig kooktips
meekreeg. Dientengevolge mislukten de eerste maaltijden die ze haar kersverse echtgenoot voorzette, allemaal dramatisch.
Mijn oude vader kon er tientallen jaren later nóg smakelijk over vertellen: over aardappelen zo hard als steenklompen, over zwartgeblakerde, verschrompelde
stukken vlees die taaier waren dan schoenzolen, over groenten met suiker in
plaats van zout.
Gelukkig ging zijn liefde niet door de maag, het prille huwelijk was ruimschoots
bestand tegen deze culinaire flaters, die tijdens de eerste maanden zelfs voor
extra pret schijnen te hebben gezorgd. Het samen nuttigen van zoutloze
maaltijden en granietharde oliebollen verstevigde de band tussen de jonge
echtgenoten.
Dus nóch haar moeder, nóch haar echtgenoot vormden voor mijn moeder een
stimulans om een beetje behoorlijk te leren koken. Dat heeft ze dan ook nooit
gedaan.
Het leukste is dat ze zich er niet voor schaamde, wat zeker bij haar generatie toch
wel voor de hand zou hebben gelegen. Altijd liep ze af te geven op ‘dat stomme
koken’: “Ik sta uren in de keuken, en jullie eten alles in een kwartier op. Zonde van
mijn tijd!”
We gaven haar gelijk, ook al hadden we wel eens iets gelust wat echt lekker was klaargemaakt. Maar dat zat er niet in.
Integendeel. Een nog steeds legendarische anekdote in onze familie betreft de
keer dat mijn moeder gestoofde peertjes had klaargemaakt – al iets heel
bijzonders voor haar doen. Nu wil het geval dat in haar rommelige keuken de
doos met maizena en de doos met stijfsel (voor mijn petticoats) naast elkaar
stonden.
Net toen wij onze eerste hap wilden nemen, drong bij mijn moeder een vreselijk
besef door.
Ze sprong overeind, met een geschrokken maar ook vastberaden blik in haar
ogen. Ze zei niets, daar was geen tijd voor, elke seconde telde. Haar gezin moest
worden gered van een gewisse dood.
In een flits griste ze onze borden onder onze neuzen vandaan en bracht ze op een
drafje naar de keuken terug. Daar kieperde ze de peertjes linea recta in de
afvalbak, ons in verbijstering en met rammelende magen achterlatend.
We hebben nooit zeker geweten of er nu maizena of stijfsel in onze peertjes heeft
gezeten, maar het gebeuren is illustratief voor mijn moeders onzekerheid als
kokkin.
Daarna heeft ze nooit meer geëxperimenteerd: iedere dag gekookte aardappelen,
met een veilig lapje vlees of met een ei, en elke dag van de week een vaste groente – meestal uit blik. Als toetje vla uit een fles, dan een appel, en klaar waren we.
Bij vriendinnetjes zag ik moeders die hele middagen bezig waren het eten te
bereiden. Bedrijvig dribbelden ze door de keuken, met een geblomd schort voor, geconcentreerd waren ze in de weer met allerlei keukengerei dat ik bij mij thuis
nog nóóit had gezien, er stegen voor mij volstrekt onbekende geuren op, ze
hadden het over ‘macaroni’ en ‘nasi’, ze keken in kookboeken en lazen Margriet-
recepten – voor mij was het allemaal totaal vreemd.
Als ik na zo’n bezoek thuiskwam, trof ik steevast míjn schortloze moeder aan op
de bank, verdiept in een boek uit de bibliotheek. Ze begon direct enthousiast te
vertellen waar dat over ging en hoe mooi het was en dat ze zo benieuwd was hoe
het zou aflopen. En dat ze daarom ook echt nog niet aan het eten ‘kon’ beginnen.
Ik was daar heimelijk best trots op, en zei dus maar niet dat ik honger had.
Tegen de tijd dat mijn vader thuiskwam, kwam Ma morrend overeind, trok een
blik open, en droeg mij op om de tafel te dekken omdat ze ‘geen twee dingen
tegelijk’ kon.
Na het eten ging ze direct weer verder met lezen, terwijl mijn vader koffie zette.
‘Koken? Ik lees liever een boek’, was haar lijfspreuk.
Ik heb weinig van mijn moeder overgenomen, maar dat motto wel, met volle
overtuiging.
Toen ík het huis uitging, herhaalde de geschiedenis zich. Ik moest nu eenmaal
eten, dus enige kooklessen waren onvermijdelijk, dat zagen zowel mijn moeder
als ik wel in.
Kreunend en steunend zetten we ons eendrachtig achter het fornuis. Ik leerde
aardappelen koken en vlees braden. Ik schreef de instructies op, want wat me niet interesseert vergeet ik onmiddellijk weer.
Na twee ‘lessen’ verzuchtte mijn moeder: ‘Ik heb er genoeg van. Weet je wat je
doet? Koop maar een kookboek, ik betaal het wel.’
Dat deed ik, maar ik heb er weinig in gekeken, tot op de dag van vandaag. Ik weet
wel leukere boeken.
En tegenwoordig zijn er gelukkig heel goede kant-en-klaar maaltijden, wat dat
betreft heb ik het veel makkelijker dan mijn moeder en haar generatie.
Als ik gasten krijg, schotel ik ze mijn enige specialiteit voor: Macaroni di Lucia.
Een pittige, voedzame éénpansmaaltijd waarin ik blindelings alles verwerk wat
met tomaten te maken heeft. Als dezelfde gasten voor de tweede keer komen,
stel ik voor om op mijn kosten buiten de deur te gaan eten. Zo heb ik het altijd
gered, zo moeilijk is het allemaal niet.
Het enige probleem is dat ik me altijd toch stiekem een beetje heb geschaamd
voor mijn zeer matige kookprestaties. Ik koketteerde ermee, zo van: ik ben een
werkende vrouw én een intellectueel, dus ik zal me daar tijd gaan besteden aan
dat domme gekook.
Maar diep in mijn hart zat het me toch niet helemaal lekker. Een vrouw hoort nu
eenmaal te kunnen koken.
Tot een paar jaar geleden. In NRC Handelsblad – de kwaliteitskrant – lees ik een
lang artikel over mensen die niet kunnen koken. Het blijken er steeds meer te
worden, vooral vrouwen. En: het blijkt niet onze eigen schuld te zijn! Pak van m’n
hart!
Het is de schuld van de ouders, die zijn op te delen in twee categorieën:
dominante kookmoeders die niemand in hun keuken toelieten (dus bepaald niet
de mijne), en ouders die zélf niet kunnen koken. Dat laatste kan zelfs een
genetische oorzaak hebben: in sommige families is men van generatie op
generatie onhandig waar het koken betreft, dus kan deze kunst ook niet worden doorgegeven.
In dat geval, zo meldt de NRC, is er sprake van een ‘kookopvoedingsdeficit’.
En degenen die daaraan lijden zijn geen klungels die zich moeten schamen, nee,
dat zijn ‘culibeten’, en ze zijn zielig.
Er is een naam voor mijn gebrek, ik ben ziek! Dat weet ik dus.
En ik weet nóg iets: ik wil niet ‘culibeter’ worden. Ik schik me in mijn lot. De hele
wereld mag het weten, ik heb het definitief aanvaard: ik ben culibeet!
Loes Gouweloos









Wat een geestig stukje. Ik kon niet stoppen met lezen en de verrassing aan het einde, Loes Gouweloos. We waren buren. Ik (wij)woon nog steeds op het Balsemkruid. Ik ga het mijn 4 dochters doorsturen.
Hi Corrie!
Bedankt voor het compliment. En wat leuk om op deze manier weer contact te krijgen. Hoe gaat het ermee? En met man en vier dochters? Schaakt die ene nog steeds?!
Je kunt me mailen via mijn website
http://www.loesgouweloos.blogspot.com
Als ik het goed gelezen heb is er nog niemand in je familie overleden aan scheurbuik! Al ben ik zelf helaas dol op koken (en eten)ik zou zeggen geniet van alle andere mooie dingen in het leven en je leuke manier van schrijven!